| Preek van de week |
|
|
||
| 25 juli - zeventiende zondag |
|
|
Lezingen:
Genesis 18,20-32
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
'Vraag
en er zal je gegeven worden, klop en er zal voor je worden opengedaan.'
Was het maar waar! Wie heeft niet de indruk dat hij zelden krijgt wat
hij vraagt als hij bij God gaat aankloppen? Het is alsof God meestal
niet thuis geeft. Nood leert bidden, zegt het spreekwoord. Maar, zo hoor
ik zeggen, als je nood niet wordt gelenigd verleer je het bidden. Het
helpt toch niet. Men citeert hier vaak een bekende uitspraak van
Einstein: 'Bidden verandert de wereld niet, bidden verandert de mens.'
Door te bidden verander je jezelf. Zo wordt je gebed verhoord: je komt
in een andere verhouding de wereld te staan. De uitspraak van Einstein
wordt dan gebruikt om mensen te troosten die God tevergeefs met hun
vragen hebben lastiggevallen. Maar is dat niet een magere troost? Je wil
niet dat je wordt veranderd, je wil dat je gebed wordt verhoord. Abraham was erop uit om God te veranderen. Hij wilde hem
doen terugkomen op zijn besluit de verdorven stad Sodom uit te moorden. Hij
speelde handig in op Gods rechtsgevoel. 'Mag ik er u op wijzen dat u
riskeert samen met de booswichten onschuldige mensen de dood in te jagen?
Dat kunt u toch niet doen, het zou onrechtvaardig zijn.' Hij marchandeerde
met God. Hij bleef maar aandringen, op het schaamteloze af. En hij haalde
het onderste uit de kan. God beloofde Abraham dat hij Sodom niet zou
verwoesten als er tien rechtschapen inwoners te vinden waren.
Een sterker voorbeeld van vrijmoedig, om niet te zeggen
vrijpostig omgaan met God is niet denkbaar. Even sterk eigenlijk is dat God
Abraham zonder enig tegenstribbelen terwille was. Het is alsof hij gaarne op
die manier werd toegesproken. Een van Jezus' leerlingen vroeg hem dat hij hen zou leren
bidden. Een verwonderlijke vraag, want vrome Joden wisten toch hoe ze
moesten bidden. Ze hadden het van jongs af geleerd. Maar blijkbaar zagen ze
Jezus anders bidden dan zij dat gewend waren.
Mij valt op dat Jezus nooit voor zichzelf heeft gebeden,
behalve één keer. In uiterste nood, toen hij in doodsangst verkeerde,
vroeg hij aan zijn Vader dat hij de beker van lijden en dood van hem weg zou
nemen (Lucas 22,42). En geen gebed maar een vertwijfelde vraag was zijn
doodskreet: 'mijn God, waarom hebt u mij verlaten? (Marcus 15,34)
Ook zijn leerlingen leerde Jezus niet voor zichzelf te
bidden. De Vader die je aanspreekt is onze Vader. Ook als je in je
eentje bidt, is wat je vraagt een vraag voor ons allen. Als iemand anders
bidt, bidt hij ook voor jou. Maar begin met te vragen wat God zelf
aanbelangt. Dat hij ervoor zou zorgen dat zijn naam wordt geheiligd en dat
hij zijn koninkrijk laat komen. Dit wil zeggen: dat wij zijn naam heiligen
en ons inzetten voor een rijk waarin zijn wil wordt gedaan. Gods naam
heiligen we door niet te vloeken: zijn naam niet verzwijgen waar hij te pas
moet komen, maar hem niet gebruiken waar het geen pas geeft. 'Zorg ervoor
dat we niet vloeken.' Waar God - door ons toedoen - zijn koninkrijk laat
komen, wordt de wereld anders. Daar komen gerechtigheid, vrede en verzoening
waar mensen op hopen.
Daarna vraag je wat het belangrijkste is voor ons
allemaal. Voor het heden moet je alleen vragen wat iedereen nodig heeft om
behoorlijk te kunnen leven. Bedenk hierbij dat die vraag van jouw kant een
belofte insluit: dat je er zoveel je kunt zult voor zorgen dat allen die
tekort lijden, krijgen wat ze broodnodig hebben. Vraag voor het verleden dat
God ons allen bevrijdt van de schuldenlast die weegt op ons geweten. Anders
blijft onze toekomst erin gevangen zitten. Vergeet daarbij van jouw kant
niet dat ook te doen met hen die bij jou in de schuld staan. En om in de
toekomst goed te kunnen leven moet je vragen dat je weerstand kunt bieden
aan de zuigkracht van het kwaad.
Mogen we erop rekenen dat onze Vader ons gebed verhoort?
Misschien vermoedde Jezus die vraag bij zijn leerlingen. Hij vertelde een
parabeltje over iemand die een vriendelijke buurman uit zijn nachtelijke
slaap wakker klopte om hem drie broden te vragen. Die buurman zal opstaan en
hem de broden lenen "omdat zijn vriend zo ombeschaamd blijft
aandringen". Dit doet denken aan Abraham. Vraag en er zal je gegeven
worden, als je maar blijft aandringen. Klop en er zal voor je worden
opengedaan, als je maar blijft aandringen. "Worden onze smeekgebeden altijd gegarandeerd
verhoord?... Als we God vragen om wat goed is voor onszelf, als we voor
anderen bidden dat ze krijgen wat ze nodig hebben, en als we in ons gebed de
verwerkelijking van Gods eigen projecten afsmeken, zijn alleen al daardoor
onze gebeden verhoord. Zo bidden betekent immers dat we een goede relatie
hebben met onszelf, met onze naasten en met God. En wat wil een mens nog
meer?*"
* Kees Pannekoek,
Verwijlen in Emmaüs, Gooi & Sticht, 2001, p. 175
J. Van Oostveld
|
| |