| Preek van de week |
|
|
||
| 18 juli - zestiende zondag |
|
|
Lezingen: Genesis
18,1-10
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Jezus is op weg naar Jeruzalem.
Zo stelt Lucas het voor. Een reis die tien hoofdstukken van zijn evangelie
beslaat. Onderweg grijpen tal van ontmoetingen plaats. Het zijn gelegenheden
waarbij Jezus duidelijk maakt wat het betekent leerling te zijn; wat het
inhoudt hem te volgen op de weg naar Jeruzalem. De parabel van vandaag –
want een parabel is het - sluit direct aan op het verhaal van vorige week.
Toen kregen we de parabel van de barmhartige Samaritaan te horen. Beide
verhalen hebben het over ‘het enig noodzakelijke’ om leerling te worden.
De passage werd namelijk ingeleid door de vraag van een wetgeleerde:
"wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?"
Vorige week luidde het antwoord: doe zoals de Samaritaan
gedaan heeft. Het gaat om het doen, het handelen. Wie geen leerling zijn,
dat zijn de priester en de leviet. Zij kwamen terug van Jeruzalem waar ze
dienst hadden gedaan in de tempel. Daar hadden ze de eer van God bezongen
met mooie liederen – stuk voor stuk goedgekeurd door de liturgische
commissies van die dagen - en volgens liturgische spelregels die ze keurig
nauwgezet hadden nageleefd. Maar neen: ze snappen niet wat een mens moet
doen om toegang te krijgen tot het eeuwig leven. De tegenstelling met de
Samaritaan die langs komt is groot: hij had oog voor de mens die langs de
weg lag. Hij werd tot medelijden bewogen, en hij stak de handen uit de
mouwen. Hij wordt geprezen als iemand die begrepen heeft waar het op
aankomt.
Het ziet er naar uit dat het verhaal van vandaag de
rollen omkeert. Jezus is te gast bij Martha en Maria. Martha slooft zich uit
om het hem naar de zin te maken. Jezus van zijn kant probeert de
overijverige Martha enige zin voor relativiteit bij te brengen. Zij die zich
zoals de barmhartige Samaritaan van vorige week te pletter loopt om de
medemens van dienst te zijn, mag het wat rustiger aan doen. Ze krijgt zelfs
haar zus Maria tot voorbeeld: zij heeft het beste deel gekozen. Zij luistert
naar Jezus. Zij neemt zijn woorden in zich op. Zij laat zijn wijsheid
binnenkomen. Zij verlangt ernaar onderricht te krijgen van Jezus.
Twee parabels die allebei handelen over het enig
noodzakelijke. Ze spreken elkaar behoorlijk tegen. Of bedoelen ze juist aan
te geven dat je het één moet doen en het ander niet laten? Dat hierbij de
luisterende Maria een extra pluim krijgt is veelzeggend. Jezus prijst haar
omdat ze bij hem in de leer komt. Omdat ze onderricht wil worden.
Merkwaardig toch. Maria is het type vrouw dat zich niet
spontaan aangetrokken voelt tot de diensttaken die de kerk later met grote
gretigheid aan vrouwen heeft toebedeeld. Materiële diensttaken. Er zijn er
in overvloed. En, laten we duidelijk wezen, als er geen mensen waren die
zich deze diensttaken aantrokken konden we, vandaag nog, de zaak wel
dichtdoen. Het kan echter evenmin ontgaan dat Jezus tegen de gangbare
rolpatronen van zijn dagen in juist die vrouw prijst die zich intellectueel
wil vormen. Vrouwen die de ambitie hebben om inhoudelijk verdiepend bezig te
zijn. Vrouwen die wéten waar het over gaat in zaken van geloof. Die in
staat zijn om anderen te onderrichten. Die in staat zijn het woord te
voeren, die de heilige teksten van onze traditie kunnen verklaren en
toepassen op ons leven vandaag. Die een bemoedigend of opwekkend woord
kunnen spreken. Die medemensen in rouw nabij kunnen zijn. Die hun talenten
inzetten ten dienste van de opbouw van de geloofsgemeenschap. Maria heeft
het beste deel gekozen.
Het ziet er naar uit dat de woorden van Jezus aan de
kerkleiders zijn voorbij gegaan. Of dat ze gemakshalve in zuiver spirituele
zin geďnterpreteerd zijn geworden. Alsof contemplatie op een hogere rang
staat dan de diaconie. Ook vandaag is dat zo. Vrouwen worden teruggefloten
naar tweederangsrollen. Naar de rol van Martha. Of naar de rol van Maria in
zuiver contemplatieve zin. Ze worden in elk geval niet geacht zich te mengen
in inhoudelijke gesprekken. Ze moeten vooral dienstbaar zijn. Nederig en
volgzaam. Nochtans: Jezus heeft geen priesters gewijd op zijn weg naar
Jeruzalem, of bisschoppen die het dan later voor het zeggen zouden hebben.
Hij roept mannen en vrouwen om leerling te worden, volgeling op zijn weg.
Daarvan is niemand uitgesloten. Hij doorbreekt de gangbare rolpatronen
wanneer hij Maria prijst. Nogal wat vrouwen zijn werkzaam in ziekenhuizen waar ze
de pastorale zorg op zich nemen. Het gebeurt dat ze bij stervende mensen
geroepen worden om hen bij te staan. Op zo’n momenten is menselijke
nabijheid van het allergrootste belang. Er zijn ontroerende getuigenissen
bekend van mensen die op het eind van hun leven om ‘iets’ vragen. Soms
weten ze zelf niet goed wat. Veelal zijn ze immers vervreemd van de kerk.
Maar ze voelen nood aan zoiets als een ritueel. Een zegening. Meestal is het
niet eens belangrijk of het een echt kerkelijk sacrament is. Maar ze voelen
de behoefte om hun leven af te ronden. We mogen dankbaar zijn om de vrouwen
en mannen die in dergelijke situaties beschikbaar zijn voor medemensen in
nood. Ik zie hoe weldadig de eenvoudige gebaren van zegening kunnen zijn.
Zowel voor stervende mensen als voor hun familie. Op deze heel concrete
manier belichamen mensen voor elkaar Gods liefdevolle aanwezigheid.
Er zijn meer tekenen van Gods barmhartige nabijheid dan
de officieel erkende sacramenten. Mensen als Maria die bij Jezus in de leer
zijn geweest, zijn zich hier terdege van bewust.
Ignace D’hert o.p. |
| |