| Preek van de week |
|
|
||
| 11 juli - vijftiende zondag |
|
|
Lezingen: Deuteronomium
30,10-14
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
In de eerste lezing (uit het boek Deuteronomium)
roept God, bij monde van Mozes, zijn volk op tot gehoorzaamheid en tot het
onderhouden van de voorschriften en geboden van de Wet. Een oproep die
niet eens zo moeilijk te beantwoorden is. Die Wet wordt de mens immers
niet van bovenaf (‘vanuit de hemel’) in het hart gedropt of
vanuit een andere wereld (‘van de overzijde van de zee’)
aangevoerd. Hij is geen Fremdkörper, geen ingewikkeld, vervelend
en verknechtend reglement dat de mens van zichzelf vervreemdt. Wie trouw blijft aan die heilsgeschiedenis en er zich
voor in wil zetten, zal ontdekken dat het mogelijk (en haast
vanzelfsprekend) is die voorschriften en geboden te kiezen als leidraad
voor een rechtvaardig leven: ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en
in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen.’
Die uitspraak heeft zoveel eeuwen later nog niets van
haar bevrijdende inhoud ingeboet. Want in de grond zegt de tekst gewoon
dat elke mens een geweten heeft en dat je, als je geweten goed gevormd is
(en voor een christen wil dat zeggen: als je geweten gesmeed is binnen de
joods-christelijke traditie en volgens de normen en waarden van die
traditie)… dat je dan voldoende toegerust bent om in je persoonlijk
gedrag en in de omgang met je medemensen het onderscheid te maken tussen
wat hoort en wat niet hoort. En dat je bovendien de kracht krijgt om de
neerslag van het woord van God ‘in geweten’ ook te volbrengen en er je
gedrag door te laten bepalen.
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan laat zien hoe
het woord van God het geweten van een mens kan vormen en bijgevolg zijn
gedrag en zijn manier van leven kan beïnvloeden.
Een doortrapt wetgeleerde stelt Jezus een vraag, die
hij voor zichzelf in theorie al lang heeft beantwoord met een antwoord dat
keurig binnen het kader van de Wet blijft. Een antwoord waarmee elke
gelovige jood (en dus ook Jezus) kan instemmen: om het eeuwig leven te
verwerven moet je God beminnen met hart, ziel, krachten en verstand – en
je naaste als jezelf.
Maar met zijn antwoord op de vraag ‘Wie is dan mijn
naaste?’ gaat Jezus verder dan gebruikelijk. Niet enkel zijn
volksgenoten beschouwt hij als zijn naasten, ook de vreemdelingen zijn
dat.
Naaste bén je niet (omdat je, bij voorbeeld, nu
eenmaal tot dezelfde familie of hetzelfde volk behoort). Naaste wórd
je door, bijvoorbeeld, te handelen volgens de stem van je geweten (waarin
de Stem van God doorklinkt). In het geval van de Samaritaan betekent dit
dat hij zich het lot van de overvallen en gewonde reiziger aantrekt.
Het nieuwe (en revolutionaire) van Jezus’ visie
bestaat erin dat Gods heil de mens niet langer aangeboden wordt door
bemiddeling van de tempelpriester en diens helper, de leviet, maar in en
door de stem van het geweten van een vreemdeling die bovendien als een ‘vijand’
mocht worden beschouwd.
Uitgerekend een ‘afgedwaalde’ bewandelt hier
de weg van God en laat, in de gewetensvolle manier waarop hij omgaat met
een mens in nood, onbewust zien hoe God zelf omgaat met de gekwetste mens:
‘Gezien heb Ik je verdrukking, gehoord je geschrei; je nood heeft Mij
geraakt’ (God tot Mozes in de brandende braamstruik – Exodus).
Jos Smeets, dominicaan
Met dank aan Jozef Essing, o.p., ‘Navolging – van wie?’ in:
Kerugma, jg.53, 3 |
| |