|
|
|
|
| 28 november - Eerste adventszondag 2010 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Jesaja 2,1-5
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Wat een heerlijk tafereel voor de
fundamentalistische lezer. De komst van de Mensenzoon als een nieuwe
zondvloed. Nog maar eens een ramp. Nog meer onheil over de lauwe
gelovigen. Alleen de echten, de zuiveren zullen gespaard blijven. Zij
die zich niet te buiten gaan aan eten en drinken, aan seks en drugs. Een
heerlijke tijd voor rampprofeten. Misschien vind je wel in Amerika
christenen die dit letterlijk nemen. Maar ik geloof toch niet dat Jezus
van Nazareth als een rampprofeet is rondgetrokken. Dreigend met
hellevuur en zondvloed. Nee toch. Veeleer oproepend om zich juist niet
beter te achten dan anderen. Zich niet af te schermen in de ene waarheid
en het eigen groot gelijk. Breek deze tempel af, zegt hij toch. Jullie
hebben er een rovershol van gemaakt. Mijn huis zal een huis van gebed
zijn dat open staat voor alle volkeren.
In de adventstijd worden we meer dan ooit herinnerd
aan het visioen van een rijk van God dat voor alle mensen bestemd is.
Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Deze begint niet met de bouw van
een adembenemende tempel of het grootst mogelijke Christusbeeld. Maar
met de geboorte van een kind. Vanwaar dan toch die neiging van
godsdiensten om zichzelf zo op te blazen? Om de waarheid voor zichzelf
op te eisen? Zich beter te achten dan een ander? Gods uitverkoren volk
te zijn? Het idee leeft niet alleen in het christendom. Het is algemeen
verspreid. En het ligt aan de basis van heel veel geweld en agressie. "Schaf alle godsdiensten af, en je hebt een van
de voornaamste redenen van agressie en oorlog uit de wereld
geholpen." Juist de godsdiensten die zich beroepen op goddelijke
openbaring stellen zich vaak op een ergerlijke wijze aan. ‘Wij zijn
toch het uitverkoren volk, het ware godsvolk.’ Je hoort het zowel in
het jodendom, het christendom als de islam. De beide teksten die we beluisterd hebben
maken brandhout van dit simplistisch chauvinisme. Alsof mensen door hun
afstamming meer dan anderen door God worden bemind. Zo’n god moet op
staande voet worden geëlimineerd. In naam van de vrede. Wat moeten we toch met dat idee dat Israël het
uitverkoren volk is? Of het idee dat de kerk het nieuwe godsvolk is? De
geschiedenis leert ten overvloede tot welk soort ontsporingen en welke
onverdraagzaamheid dergelijke visies kunnen leiden. De bijbelse verhalen willen ons juist iets anders
inprenten. Ze vertellen van een keuze waartoe elke mens en elke
gemeenschap wordt uitgedaagd. In die eerste lezing uit Jesaja
beluisteren we een visioen. De profeet vergelijkt de wereld der volkeren
met een berglandschap. Ergens middenin ligt, nauwelijks merkbaar, de
berg met het huis van JHWH. Een bescheiden heuvel. Geenszins de
grootste. Maar in het visioen komt het landschap in beweging. Daar
gebeurt iets. Geleidelijk groeit die berg uit tot de hoogste van de
bergen, zodat alle andere bergen er vol bewondering naar opkijken. Er
zelfs in de leer gaan. Dat komt doordat mensen die daar leven werk maken
van een heel eigen levensstijl. Doordat zwaarden omgesmeed worden tot
ploegijzers en speren tot snoeimessen. Doordat ze de oorlog niet meer
leren en zich niet meer oefenen in de strijd. Zo luidt de roeping
waartoe Israël wordt uitgedaagd. Inderdaad: een roeping. Een uitdaging. Werk maken van
een alternatieve levensstijl. En de bijbelse geschiedenis vertelt ons
van het slagen en falen van mensen in deze roeping. Niet het volk
Israël als zodanig is uitverkoren. De levenswijze waartoe het wordt
opgeroepen: dat is uitverkoren. Het gaat er niet om dat een bepaald volk
of een gemeenschap zich zou kunnen opwerpen als leermeester van anderen,
vanuit een soort betweterigheid. Het gaat om een heel concrete
levenshouding die in praktijk wordt gebracht. Beantwoordt Israël aan
deze roeping, dan is het inderdaad het volk van Gods bijzondere liefde.
Sluit het zich op in zelfvoldaanheid, dan is het een gruwel in Gods
ogen. Uit de praktijk moet blijken of deze gemeenschap inderdaad een
licht is dat schijnt boven op de berg. Of het metterdaad een
aantrekkingskracht uitoefent op mensen rondom. Het is datzelfde motief dat Matteüs doortrekt. Het
behoren tot de joodse gemeenschap kan geen reden zijn tot zelfverzekerde
arrogantie. Het gaat erom dat de geloofsgemeenschap zich afstemt op de
komst van de Mensenzoon. Om die levensstijl in eigen schoot waar te
maken. Zich niet opsluiten in eigen gelijk, maar open staan voor
anderen. Deze levensstijl beantwoordt aan de droom van God. En dat is de
uitdaging waar elke mens in zijn leven voor staat: de uitdaging werk te
maken van gerechtigheid die voert naar vrede. Dààr heeft Jezus het
over, in de lijn van Jesaja. Er is, met andere woorden, geen uitverkoren volk, er
is een uitverkozen levenswijze. Deze kan niet als exclusief bezit worden
opgeëist door welke gemeenschap ook. Het kan in elke cultuur, in elke
godsdienst. Hier wordt veeleer de mogelijkheid geopend van een
wereldwijde gemeenschap over alle grenzen heen. Wie het uitverkoren zijn
letterlijk neemt, trapt in de val van het fundamentalisme. Hoe
nationalistisch het taalgebruik in de Bijbel ook mag klinken, dat is
maar de oppervlakte. Wat daaronder schuilgaat is een algemeen menselijk
thema. En dat gaat over een keuze die in ieder mensenhart beslecht
wordt. Zo gaan we op weg naar het feest van de vrede. Rond een kind dat
als vredevorst begroet wordt. Ignace D’hert o.p. |