|
|
|
|
| 28 november - Eerste adventszondag 2010 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Romeinen
13,11-14
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Een
kerkelijke nieuwjaarsdag valt altijd op een zondag: de eerste van
de vier zondagen vóór Kerstmis. In veel kerken en kapellen wordt
dan de eerste adventskaars aangestoken. Niet te vergelijken met
het spetterend vuurwerk om middernacht op 31 december. Kerkgangers
wensen elkaar ook geen zalig kerkelijk nieuwjaar en sturen geen
nieuwjaarskaartjes. En het belangrijkste verschil: ze kijken niet
vooruit naar het nieuwe kalenderjaar. Het evangelie doet hen
vooruitkijken naar het einde van de wereld. Niemand weet wanneer
dat zal gebeuren, maar het kan ons zeer onverwacht overvallen, als
een dief in de nacht. Elk moment kan het vijf voor twaalf zijn. Waarschijnlijk
weet u niet dat de adventskrans een vóórchristelijk verleden heeft. De
oude Germanen hingen een met bosgroen versierd wagenrad aan het plafond
of de muur om de winterzonnewende te vieren. Ze dachten dat de zon toen
een aantal dagen stilstond. Uit eerbied voor de zon werkten ze die dagen
niet. Daarvan was het opgehangen rad het symbool. Ze verwachtten dat het
zonnerad weer zou voortdraaien en om het licht van de zon te
ondersteunen brandden ze houtvuren. Het was ook een welkom aan de nieuwe
zon en het nieuwe jaar. Zo vierden ze dat het licht en het leven het halen
op de duisternis en telkens opnieuw tonen dat zij het laatste woord
hebben.*
De
adventskrans is in onze kerken en kapellen een laatkomer. Duitse
soldaten hebben hem tijdens de Eerste Wereldoorlog bij ons
geïntroduceerd. Een christelijke vormgeving van het oude Germaanse
wagenrad, met een vergelijkbare symboliek: de krans als cirkelvormige
kandelaar, het groen als kleur van hoop en verwachting, het weekritme
van het toenemende kaarslicht naar Kerstmis toe: het geboortefeest van
het 'Licht van de wereld'.
Eens de
eerste adventskaars aangestoken beginnen we de dagen af te tellen tot
het kerstfeest met alles wat erbij hoort. 'Verwachting' is in zekere zin
een te groot woord. Alle verrassing is eruit weg. We weten zeker dat
Kerstmis komt. De datum ligt vast. Het zal zijn zoals het de jaren
voordien is geweest.
Maar in
het evangelie dat de adventstijd opent gaat het helemaal niet over dit
vooruitzicht van Kerstmis. Het is zoals in de dagen van Noach, lezen we.
Eten en drinken, vrijen en trouwen, kopen en verkopen, in beslag genomen
door de routines, de zorgen en de vreugden van alledag. Misschien zijn
wij nu minder kortzichtig dan de mensen in de dagen van Noach. Ze hadden
er geen benul van dat er een alles verzwelgende zondvloed op til was.
Misschien kijken wij verder vooruit dan de smalle horizon van de
onmiddellijkheid en hebben we oog voor de ernstige dreiging van rampen
die ons kunnen overkomen. Misschien luisteren we naar de stemmen die
waarschuwen dat het vijf voor twaalf is. 'Wordt wakker, let op! Straks
is het te laat.'
In het
evangelie betreft de waarschuwing geen dreigende ramp, maar de komst van
de Mensenzoon die de geschiedenis zal voltooien. Het is geschreven voor
lezers die dachten dat het einde van de wereld niet voor de deur stond.
Ze hielden er geen rekening mee. Vandaar de waarschuwing: laat in elk
geval uw waakzaamheid niet verslappen, Hij kan elk ogenblik komen, de
Mensenzoon, Hij kan onverhoeds bij u inbreken als een dief in de nacht.
Die
waarschuwing van het evangelie is ook bedoeld voor hedendaagse lezers.
Ze roept ons op niet onbedachtzaam te leven. We moeten niet wakker
liggen van het einde van de geschiedenis, maar van de voortgaande weg
erheen: naar haar voltooiing. Zolang we leven zijn we allen daarheen
onderweg. Hoe ze zal voltooid worden hangt ook van iedereen van ons af.
Je moet
altijd klaarstaan, zegt het evangelie, op elk moment kan de Mensenzoon
komen, hij die in de wereld Gods koninkrijk van vrede, gerechtigheid en
vreugde naar zijn voltooiing zal leiden. Gods koninkrijk is altijd
verder aan het komen. Gelukkig geprezen wordt de huisknecht die zorgzaam
bezig is wanneer zijn heer komt (Matteüs 24,46). Ieder van ons is als
die knecht: knecht in het huis van Gods koninkrijk. We hebben de wereld
niet in bezit en niemand leeft hier alleen voor zichzelf. Maar we zijn
er wel verantwoordelijk voor. Soms leven we te verstrooid en te
onachtzaam. Beslissende momenten kunnen ons ontgaan. Momenten waarop we
voor keuzes staan waarvan onze verdere toekomst en die van anderen
afhangt. Hoe verantwoordelijk of onachtzaam we omgaan met onze wereld en
met eigen leven, bepaalt hoe het uiteindelijk met ons en de wereld
afloopt.
De
komst van Gods koninkrijk heeft niets van een spektakel. Ze speelt zich
af in het leven van alledag, in het gewone van menselijke ontmoetingen,
in de manier waarop we omgaan met de natuur, met de zorg voor het leven
dat ook morgen nog mogelijk moet zijn. Waakzaam zijn houdt in dat je je
niet afsluit van de momenten in je leven die het de moeite waard maken.*
De
advent is veel meer dan de tijd van voorbereiding op het geboortefeest
van het kerstkind. Zijn perspectief reikt veel verder: de hele tijd van
ons leven door. Vergeleken met de uitbundige kerstverlichting in de
winkelstraten zijn de brandende kaarsjes van de adventskrans uiterst
bescheiden. Na de kerstfeesten wordt de kerstverlichting gedoofd. De
vlammetjes van de adventskrans mogen eigenlijk niet uitgaan. Ze moeten
blijven branden om ons waakzaam te houden voor de momenten waarop Gods
koninkrijk bij ons binnenkomt.
* Zie
hierover adventskrans. Inspiratie
is gevonden bij H.J. Bosman in Kerugma 2010-2011/1 p. 20-23.
E.R.
Brandts
|